zoek

Week van de integriteit, vanzelfsprekend maar niet gewoon

Week van de integriteit, vanzelfsprekend maar niet gewoon

- Den Haag, 1 t/m 9 december 2016, Arthur de Groot

Negen dagen lang duurt de week van de integriteit. Praten over integriteit, dat doen we eigenlijk best wel veel en vaak ook positief. En onlangs nog tijdens een verplichte bijscholingstraining voor accountants. Er was net weer een negatief rapport over accountants verschenen, en weer ging het over het vermeend ontbreken van normbesef. Ik veerde echter op toen ik een accountant hoorde zeggen: ‘…maar we hebben natuurlijk ook een heel fatsoenlijk beroep’. Meer was het niet, een deel van een zin, een flard van een gesprek tijdens de koffie. Dat deed me eigenlijk wel goed in een tijdsgeest waarin je nauwelijks nog positief nieuws hoort over accountants. In de kern zijn accountants dus toch hele keurige en fatsoenlijke mensen, bedoelde deze accountant.

Dit voorval deed mij denken aan een lezing van de in 2010 overleden nestor van de bedrijfsethiek professor Henk van Luijk; hij begon zijn lezing met een vergelijkbaar voorval, maar we zijn toch natuurlijk ook een heel fatsoenlijk bedrijf….

In zijn lezing verhaalt Van Luijk over iets belangrijks dat we over het hoofd zouden hebben gezien, en dat was het woord ‘maar’: ‘maar het is natuurlijk ook een heel fatsoenlijk beroep. Daar is grammaticaal iets aan vooraf gegaan in de trant van: ‘Normaal verwacht je het niet, maar hier hebben we te maken met een heel fatsoenlijk bero­ep’. En je je dat realiseren als flink bekritiseerd beroep, maakt dat je weer met beide voeten op de grond staat.

Bij de start van de week van de integriteit vroeg ik mij afL waarom een week, waarom niet het hele jaar? En dat sluit weer aan bij een van de stellingen van Henk van Luijk: ‘Integriteit is vanzelfsprekend maar niet gewoon’.

Van Luijk kwam destijds, ik meen in 2004 met een lang betoog, dat ik kort zal proberen samen te vatten.

Wij vinden het vanzelfsprekend dat wij van elkaar, individueel en als organisatie, integriteit mogen verwachten. Je hoeft er niet van uit te gaan dat iedereen overal altijd alleen uit is op zijn eigen voordeel. Maar je doet er blijkbaar wel verstandig aan om er rekening mee te houden dat enkelingen of afzonderlijke organisaties regelmatig vooral of uitsluitend hun eigen belangen behartigen, en daarbij nadrukkelijk hun beste beentje voor dat van een ander zetten. Het valt op als het niet gebeurt. Integriteit is vanzelfsprekend maar niet gewoon.

En dan gaat het schuren, omdat integriteit kennelijk verschillende verschijningsvormen kent zoals persoonlijke en sociale integriteit, die wij steeds en vaak door elkaar heen gebruiken; integriteit als een persoonlijke kwaliteit en integriteit als een sociale eis, zo stelt Van Luijk.

Bovendien maken we er ons nog wel eens te gemakkelijk van af als het erop aankomt aan ‘integriteit’ inhoud te geven.

Drie betekenissen van integriteit

In het dagelijks spraakgebruik lopen twee of drie betekenissen van integriteit door elkaar. De meest gebruikelijke betekenis van integriteit is onkreukbaarheid, rechtschapenheid. Zo werd het ook bedoeld door Ien Dales, destijds minister van Binnenlandse Zaken, met de toevoeging ‘Een beetje integer kán niet’.

Integriteit in deze betekenis is het tegendeel van de scheve schaats, het oogluikend toezien, een graantje meepikken, wegkijken, de ene hand die de andere wast en samen wassen ze wit, de feiten wat opleuken, het onwelgevallige rapport onderop leggen of helemaal niet in roulatie brengen, kortom sjoemelen.

Integriteit als onkreukbaarheid heeft de aantrekkelijkheid van het ondubbelzinnige. Ergens in de organisatie, meestal ergens boven in de organisatie, is vastgelegd wat rechtschapen is en wat niet, en daar heeft iedereen zich aan te houden. Aan de hand van deze standaard wordt uitgemaakt of jij integer bent, aan de eisen voldoet. Deze invulling van integriteit is duidelijk, niet voor tweeërlei uitleg vatbaar (‘een beetje integer kan niet’), maar is dat wel zo motiverend vraagt Van Luijk zich dan af. Mensen houden er niet van dat hen door anderen de morele maat wordt genomen, ook accountants niet. Wel is het zo dat integriteit als rechtschapenheid goed gecontroleerd en min of meer succesvol afgedwongen kan worden, met sancties meestal, soms met beloningen.

In een tweede betekenis van ‘integriteit’ ligt de nadruk op een persoonlijke karaktereigenschap, het beschikken over een innerlijk moreel kompas. We noemen mensen integer wanneer zij moreel op koers blijven ook als de omstandigheden niet meewerken, en dat schijnbaar zonder veel moeite. Sommige mensen hebben een natuurlijk talent voor moraal en fatsoen. Zij worden bij dilemma’s, conflicten of een crisis niet zichtbaar van hun stuk gebracht, aan spelletjes doen ze niet mee, hun keuzes zijn onpartijdig én trefzeker, hun eigenbelang is nooit overheersend aanwezig. Kent u zo’n integer persoon in uw omgeving?

Deze twee betekenissen van integriteit, als rechtschapenheid, gemeten naar vaste externe maatstaven, en als persoonskenmerk, de hoge morele kwaliteit van al iemands beslissingen, worden naast en door elkaar gebruikt. Maar er is ook nog een derde betekenis, namelijk integriteit als professionele verantwoordelijkheid. Zoals de accountant, die doet waarvoor hij is aangesteld en staat voor wat hij doet.

Dat roept de vraag op of (voldoende) nauwkeurig is vastgelegd wat dat precies inhoudt. Want als dat niet zo is, moet de accountant zijn eigen verantwoordelijkheid nemen, en ook bereid zijn om verantwoording af te leggen over de manier waarop hij zijn verantwoordelijkheid invult. Grenzen en verwachtingen worden onderling besproken en afgesproken, niet eenzijdig opgelegd, en vervolgens houden we ons aan de afspraken. Totdat er een goede reden is om een afspraak gezamenlijk te heroverwegen. Met een dergelijke taakopvatting en functievervulling geef je blijk van integriteit.

Integriteit als professionele verantwoordelijkheid is een veeleisende opgave, heel modern, maar met alleen volgzaamheid redt de professional het niet. Hij moet ook eigen keuzes maken, en die dan ook openlijk willen verantwoorden. Professionele verantwoordelijkheid is dan de kern van een moderne integere taakuitvoering.

Van Luijk gaat dan terug naar de persoonlijke en sociale integriteit.

Persoonlijke integriteit staat voor de morele persoonlijkheid die iemand wil zijn. Zolang we geen inbreuk maken op rechten en belangen van anderen beschikken wij over een vrije ruimte waarbinnen we zelf kunnen bepalen wat voor iemand we moreel willen zijn. Bij persoonlijke integriteit denken we aan mensen of organisaties die, ondanks de omstandigheden en ongeacht de prijs, het streven naar het morele maximum niet wensen los te laten. Want zo willen zij zijn, en zo willen zij gekend zijn, gekenmerkt door een constante hoge graad van moraliteit in al hun handelen en beslissingen.

Persoonlijke integriteit is daarmee een zaak van gradatie, een zelfgekozen niveau waardoor iemand, of een organisatie of een bedrijf, zich plaatst op een niveau dat ‘voorbij wat als plicht mag worden beschouwd’. Dat is belangrijk, want daarmee zeg je dat persoonlijke integriteit, bedoeld als het streven naar het morele maximum, niet als eis kan worden gesteld. Tot moreel heldendom is niemand gehouden. Het minimum is niet vrij, maar het maximum is niet verplicht.

Dat is anders bij sociale integriteit. Want dan gaat het niet over het morele maximum maar over het sociale optimum. Hier is geen sprake van een vrije ruimte waarbinnen ieder zijn of haar eigen morele positie kan kiezen, zolang aan bepaalde minimumeisen is voldaan. De vraag is niet: ‘hoe hoog wil ik de lat leggen?’, maar: ‘waar vinden wij dat de lat moet liggen, en hoe moet hij worden bevestigd?’ Sociale integriteit wordt collectief gedefinieerd. Het gaat dan om vragen als: ‘wat betekent het om een fatsoenlijke, betrouwbare accountant te zijn? Sociale integriteit gaat om het ontwikkelen en in stand houden van een weloverwogen balans van legitieme verwachtingen en private en publieke gedragingen, en dat op een veelheid van terreinen. Sociale integriteit vraagt dat we rechten, belangen, en verwachtingen van alle betrokkenen (‘stakeholders’) erkennen, de bereidheid om deel te nemen aan de publieke discussie over welke verwachtingen legitiem zijn, én de bereidheid om verantwoording af te leggen over de manier waarop jij ermee omgaat. Integriteit in deze zin is een sociaal project. Zij eist morele volwassenheid.

Levert het voor de praktiserend accountant wat op, deze manier om ‘integriteit’ te onderscheiden in persoonlijke en sociale integriteit, je houden aan respectievelijk zelfgekozen en aan sociaal-gegeven standaarden? En hoe verhoudt zich deze tweedeling tot de eerdere driedeling van integriteit als rechtschapenheid, als persoonskenmerk, en als professionele verantwoordelijkheid? Van Luijk is er voorstander van de tweedeling van persoonlijke en sociale integriteit te hanteren.

Persoonlijke integriteit, je houden aan zelfgekozen en hoogstaande standaarden, komt nauw overeen met integriteit als persoonskenmerk. Sociale integriteit, als je richten naar sociaal-gegeven standaarden en verwachtingen, kan op twee manieren: je laat je als accountant door anderen zeggen wat rechtschapen en onkreukbaar is en je houdt je daaraan – we spreken dan over ‘compliance’ -, of je neemt actief deel aan de discussie over het sociale optimum op een bepaald terrein, je neemt je eigen verantwoordelijkheid bij de invulling daarvan, en je toont je bereid om verantwoording af te leggen over de manier waarop je dat doet. Voor de vraag hoe we in de praktijk moeten omgaan met het thema integriteit heeft deze tweedeling consequenties die zijn niet gering zijn. Van Luijk noemt er twee.

Ten eerste, persoonlijke integriteit, je houden aan hoge zelfgekozen standaarden, komt tot stand in de vrije ruimte waarin mensen hun eigen morele identiteit kiezen. Mensen dwingen respect af naarmate zij duidelijker kiezen voor een moreel maximum, naarmate zij zich consequent houden aan hoge standaarden, ongeacht de omstandigheden. Maar deze keuze kan niemand hen opleggen. Persoonlijke integriteit is een geschenk aan de samenleving, het is niet een verplichting. Wij kunnen het van een ander niet eisen, we kunnen er enkel op hopen. Mensen worden ernstig overvraagd wanneer anderen, hun meerderen bijvoorbeeld, persoonlijke integriteit van hen vragen, want persoonlijke integriteit is geen verplichting, het is een keuze die de een beter afgaat dan de ander. De een houdt zich nu eenmaal meer dan de ander bezig met de vraag wie hij of zij als morele persoonlijkheid is en wil zijn.

Dat roept de vraag op of je ook een beetje integer kunt zijn. Ja, dat kan, zolang het gaat om persoonlijke integriteit. De meeste mensen zijn geen morele helden en zijn niet bezig met de lat zo hoog mogelijk leggen.  Belangrijker is waar wij met elkaar de lat leggen, en hoe we kunnen bewerken dat zoveel mogelijk mensen er zo soepel mogelijk overheen komen.

Met sociale integriteit ligt dat anders en had Ien Dales een punt, want daar gaat het over het optimum dat wij met elkaar vaststellen en in stand proberen te houden. Daar is geen ruimte voor ‘een beetje’. Want eenmaal vastgesteld is het sociale optimum tegelijk het morele minimum.

En hier belanden we op een soort van kruising. Als het in zakelijke en sociale verhoudingen gaat over integriteit denken wij spontaan aan de persoonlijke integriteit van onze collega’s en medewerkers, hun morele inborst, hun innerlijk kompas. Maar dat blijkt een heel riskante aanpak, want persoonlijk integriteit is een veel te onzekere factor om als grondslag te dienen voor integere zakelijke en sociale verhoudingen. Je mag erop hopen, maar je kunt er niet op rekenen, en je mag het ook niet eisen. Integriteit is wel vanzelfsprekend maar niet gewoon. Daarbij, iemands inborst is voor een goed deel een zaak van genen en hormonen. Ik ben gedisciplineerd, jij bent een oningebonden boek. Jij bent serieus, ik ben een mentale flierefluiter. Jij hecht aan consistentie, hij gaat voor verandering, in welke richting dan ook, als het maar verandering is. Dat zijn gegevens die ook doorwerken in iemands morele inborst. Een organisatie doet er daarom goed aan, zich niet afhankelijk te maken van de persoonlijke integriteit van haar leden. Wat telt in een integere organisatie is niet de morele inborst van afzonderlijke individuen, maar ieders trouw aan de afspraken. De vraag is niet of wij volmaakt zijn, maar of wij volwassen zijn.

In het laatste deel van zijn betoog pleitte Van Luijk ervoor om het accent nadrukkelijk te verschuiven van persoonlijke naar sociale integriteit en signaleert hij het opkomende fenomeen van het ‘integriteitsmanagement’. Een instrument dat hij niet afwijst maar wel plaatst in de typisch Nederlandse drang naar maakbaarheid met het gevaar dat in dat integriteitsmanagement ongemerkt toch weer een element binnen sluipt van een beroep op persoonlijke integriteit.

Een tweede bezwaar van het integriteitsmanagement ziet Van Luijk in het bekende onderscheid tussen ‘compliance strategy’ en ‘integrity strategy’, ruwweg te zien als nadruk op regelnaleving en nadruk op verinnerlijking van normen en waarden.

Een derde bezwaar volgens Van Luijk is dat hij zich afvraagt of het begrip ‘integriteit’ wel voldoende is ingevuld. We maken omtrekkende bewegingen, brengen onderscheidingen aan, tussen persoonlijke en sociale integriteit bijvoorbeeld, of tussen een compliance en een integrity strategie, we benadrukken dat het gaat om heldere wederkerige verwachtingen en afspraken, maar dan nog blijft de vraag staan: welke verwachtingen precies, welke afspraken? Het begrip moet vulling krijgen, en gebeurt dat wel voldoende. Wie moet het ook doen? De overheid, toezichthouders, beroepsverenigingen?

In 2004 stelde Van Luijk ‘Voor sociale integriteit moeten alle hens aan dek, want geen enkele partij kan gemist worden. Daarvan is nog weinig sprake. Misschien moet eerst het weer nog wat ruiger worden. Dat dat gebeurt lijkt me redelijk zeker.’

Helaas is die voorspelling uitgekomen. Het aantal integriteitsschandalen in onze samenleving lijkt flink toegenomen, zowel in ernst als in omvang.

Wat is er aan de hand? Hoe kon het zo misgaan?

Dit is niet gewoon, en vanzelfsprekend dat daar iets aan moet worden gedaan, te beginnen met de week van de integriteit, een mooi initiatief!